Hoofdstuk 3 Procedure van werkzaamheden

Actuele regelgeving

  1. Artikel 3:1 Algemene bepalingen over de procedure van werkzaamheden

    1. De werkzaamheden worden uitgevoerd in de werkplaats met inachtneming van de relevante bepalingen uit dit hoofdstuk en de instructies van de fabrikant of importeur over:

        a.    de tachograaf;

        b.    het functioneren van snelheidsbegrenzers met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie en de werkzaamheden van tachografen;

        c.    het functioneren van motorrijtuigen met betrekking tot aspecten die van belang zijn bij de installatie en de werkzaamheden van tachografen.

    2.    De erkenninghouder stelt aan de tachograaftechnicus de apparatuur, handleidingen en andere actuele documentatie ter beschikking die nodig zijn om de werkzaamheden aan de tachograaf uit te voeren.

    3.    Voor het gebruik van de werkplaatskaart wordt onder testen verstaan: toetsing van een tachograaf voor de eerste ingebruikname van een voertuig of tachograaf, of voor de reparatie van een tachograaf of bij andere aan de tachograaf gerelateerde werkzaamheden.  

    Artikel 3:2 Controle datum eerste toelating

    1. Er worden geen werkzaamheden verricht dan nadat de website van de Dienst Wegverkeer is geraadpleegd om de datum van eerste toelating van het motorrijtuig waarin de tachograaf is geïnstalleerd, vast te stellen.     
    2. In een nieuw motorrijtuig worden de werkzaamheden aan de tachograaf uiterlijk uitgevoerd op het tijdstip dat het motorrijtuig voor het eerst in gebruik wordt genomen.   
    3. Ingeval de werkzaamheden betrekking hebben op een tachograaf in een niet in Nederland geregistreerd motorrijtuig wordt de datum eerste toelating van het motorrijtuig geraadpleegd via het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs.    

    Artikel 3:3 Manipulatiecontrole

    1.  De tachograaftechnicus beoordeelt tijdens de werkzaamheden of de tachograaf is gemanipuleerd en of er manipulatieapparatuur aanwezig is. 
    2. De manipulatiecontrole bestaat uit de volgende elementen:

        a.    controle op aanwezigheid van manipulatieapparatuur;

        b.    controle parameters tachograaf in overeenstemming met het  installatieplaatje;

        c.    controle op verbroken of niet aanwezige verzegelingen;

        d.    controle op beschadigingen van de installatie die de integriteit van de tachograaf in twijfel trekken;

        e.    controle op aanwezige voorvallen en gebeurtenissen in de tachograaf die duiden op manipulatie met behulp van de afdruk; en

        f.    verificatie van de bewegingssensor om manipulatieapparatuur detecteren.

    3.  Vaststelling van manipulatie dan wel aanwezigheid van manipulatieapparatuur wordt zo spoedig mogelijk aan de Dienst Wegverkeer gemeld met gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer daartoe bekendgemaakt formulier.

    Artikel 3:4 Certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht

    1. Indien een tachograaftechnicus een digitale tachograaf buiten bedrijf stelt of in een ander motorrijtuig installeert, stelt hij direct, voor zover dit mogelijk is, alle gegevens uit het apparaat veilig.
    2. Indien het niet mogelijk is de gegevens veilig te stellen, wordt dit aan de Dienst Wegverkeer gemeld met gebruikmaking van een door de Dienst Wegverkeer daartoe bekendgemaakt certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.   
    3. Op schriftelijk verzoek van de werkgever of de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de wet, verstrekt de erkenninghouder aan hem de gegevens uit de digitale tachograaf die dat bedrijf betreffen dan wel het certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht.  

    Artikel 3:5 Afsluiting van de werkzaamheden

    1. De werkzaamheden worden afgesloten met een proefrit om te controleren dat de tachograaf naar behoren functioneert.
    2. Na afloop van de werkzaamheden wordt een afdruk technische gegevens gemaakt van de tachograaf.  

    Artikel 3:6 Melding werkzaamheden aan de Dienst Wegverkeer

    1. Na beëindiging van de werkzaamheden meldt de tachograaftechnicus die de werkzaamheden heeft verricht de volgende gegevens aan de Dienst Wegverkeer:

        a.    het pasnummer van de bevoegdheidspas en de daar bijbehorende  pincode, bedoeld in artikel 2:6;
        b.    het kenteken en de meldcode, gevormd door de laatste vier cijfers van het identificatienummer;
        c.    merk, type, versie, serienummer en ingestelde apparaatconstante van de tachograaf;
        d.    merk en serienummer van de bewegingssensor van de digitale tachograaf;
        e.    alle aangebrachte zegelnummers;
        f.     indien het een motorrijtuig is voorzien van een kilometerteller, de afgelezen tellerstand;
        g.    indien van toepassing een ingevuld manipulatieformulier;
        h.    indien van toepassing het ingevulde certificaat van onmogelijkheid van gegevensoverdracht

    2.  In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien het motorrijtuig niet of nog niet is voorzien van een Nederlands kenteken, het volledige identificatienummer gemeld.
    3.  De in het eerste lid bedoelde meldingsplicht geldt niet voor fabrikanten van motorrijtuigen, voor zover het de werkzaamheden betreft in motorrijtuigen die voor de eerste maal in gebruik worden genomen.  

    Artikel 3:7 Aanbrengen installatieplaatje na melding werkzaamheden

    1.  Na de melding, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, of de werkzaamheden als bedoeld in artikel 3:6, derde lid, wordt een installatieplaatje aangebracht.
    2. Het in het eerste lid bedoelde installatieplaatje wordt niet eerder aangebracht dan nadat door de Dienst Wegverkeer is medegedeeld dat:
      a.    de in het eerste lid bedoelde melding niet leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden;
      b.    de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden en deze controle heeft geleid tot een goedkeuring; of
      c.    de melding leidt tot een steekproefsgewijze controle van de werkzaamheden, maar deze controle niet binnen 90 minuten na de melding is begonnen.